Best Joomla Template by Web Design

Verhalen over het dagelijkse leven

Category: Mythes
Veel van de Mongoolse verhalen beschrijven het harde leven en de problemen die Mongoolse nomaden tegen komen in het dagelijks leven. Ook de relatie tussen ‘simpele’ nomaden en Mongoolse Khans, de Mongoolse prinses, speelt een belangrijke rol in deze verhalen.
Vooral sinds de Manchurians Mongolië hebben veroverd eind 17e eeuw, worden de Khans gezien as hebberig en wreed. De verhalen weerspiegelen echt hoe de omstandigheden in die tijd waren. Terwijl de Khans een luxe leven leiden door schulden te maken bij de Chinese koophandelaren moesten de simpele mensen ervoor betalen. Letterlijk.
Natuurlijk gebruikte de Manchurische regering deze situatie om de Mongoolse Khans onder controle te houden.
De inhoud van de verhalen is vaak serieus, maar tegelijkertijd ook grappig. De verhalen beschrijven vaak een hebberige, maar domme Khan of een rijke fokker die voor de gek gehouden worden of verslagen door een simpele man, de ‘underdog’.
De klassieke ‘underdog’ in Mongoolse volksverhalen is de zwervende boeddhistische lama monnik. Hij is vaak een mix van Robin Hood en Tijl Uilenspiegel. 

Het verhaal van de Khaan en de badarcin
of
Waarom je voorzichtig moet zijn met het doen van beloftes

Er was eens een Khaan. Op een dag kondigde hij aan “Ik zal mijn troon afstaan aan de man die een zittende man kan laten opstaan en een slapende man wakker kan maken door een leugen te vertellen’.
Een kleermaker hoorde dit en kwam naar voren naar de Khaan. “Beste Khaan, beste khaan! In de zware regen van eergisteren, zijn de stukken van de hemel uit elkaar gebarsten en ik ben er heen gegaan en heb ze aan elkaar genaaid met de pezen van een luis”, loog hij. Tevreden dacht hij bij zichzelf: “nu heb ik echt een goede leugen verteld war een zittende man van zal opstaan en een slapende wakker wordt”.
Maar de Khaan zei: “Bah, je hebt dan echt slecht genaaid. Kijk maar naar de regen van gisterochtend”. De kleermaker verliet stilletjes de kamer.
Toen kwam er een herder naar voren en zei tegen de khaan: “Beste khaan, beste khaan! Mijn overleden vader had een zweep waarmee hij alle sterren uit de hemel sloeg”. 
De khaan antwoorde: “Dat is niks, mijn eigen overleden vader had een pijp. Als hij deze aanstak kringelde de rook omhoog rond alle sterren en bond ze samen”. De herder wist niet wat hij moest zeggen en liep in stilte weg.
Juist op dat moment kwam een badarcin de kamer binnen met een mand in zijn armen. De khaans vroeg hem:  “Badarcin, wat wil je?”
“Wat, je herkent me niet?”, vroeg de badarcin. “Je hebt nog wel een hele mand vol goud van me geleend. Ik kom nu mijn goud terug halen”.
De khaan sprong op uit zijn stoel en eiste te weten “en wanneer heb ik dat goud dan geleend? Je liegt!”. Het geluid maakte de khatan, die in de buurt had liggen slapen, wakker. “Je liegt dat je me goud geleend hebt. Sla hem, sla hem!”, gilde de khaan.
De badarcin zei: “Als ik lieg, sta dan je troon aan me af, beste khaan”.
De khaan dacht er een moment over na en antwoorde: “Wacht even! Je vertelt de waarheid. Ik heb goud van je geleend, ik herinner het me ineen”. 
“Dan geef me mijn goud!”, eiste de badarcin.
Zo kwam het dat de badarcin met een leugen een zittende man liet opstaan en een slapende man wakker maakte en daar een mand vol goud aan overhield, terwijl hij tegelijkertijd de khaan een lesje leerde.